CollectionsField terms1000
De 1000 meest gebruikte Nederlandse woorden voor gewone gesprekken, in standaard Nederlands zoals in Nederland (niveau A2).
Lobyas brings these back across Read, Review and Quiz until they stick.
Invite-only: request access, or use the code you were given.
Read, review and quiz them in Lobyas, with no due dates to fall behind on.
Invite-only: request access, or use the code you were given.
Knol uit de grond, bruin van buiten en geel of wit van binnen.
Bijvoorbeeld:Vanavond eten we aardappels met groente en vlees.
Lucht in en uit je longen.
Bijvoorbeeld:Ik ben buiten adem van het rennen.
Tijd en plek om elkaar te zien, samen gekozen. Iets wat je samen hebt besloten.
Bijvoorbeeld:Ik heb een afspraak bij de dokter.
Iemand die bij de politie werkt, vaak op straat.
Bijvoorbeeld:Vraag het aan de agent.
Stof in bier en wijn die je dronken maakt.
Bijvoorbeeld:Ik drink geen alcohol. Een cola, graag.
Het gevoel van heel bang zijn.
Bijvoorbeeld:Ik heb angst voor honden.
Ronde vrucht, rood of groen.
Bijvoorbeeld:Ik eet elke dag een appel.
Lang deel van je lichaam, tussen schouder en hand.
Bijvoorbeeld:Hij doet zijn arm om haar heen.
Iemand die medicijnen heeft gestudeerd en zieken helpt.
Bijvoorbeeld:Ze is arts in het ziekenhuis.
Voertuig met vier wielen en een motor.
Bijvoorbeeld:We gaan met de auto naar Groningen.
Tijd na de middag, vóór de nacht.
Bijvoorbeeld:'s Avonds kijk ik tv.
Werk met een loon. Een strook om op te rijden, te lopen of te zwemmen.
Bijvoorbeeld:Ze heeft een nieuwe baan.
De persoon die zegt wat je moet doen op je werk.
Bijvoorbeeld:Mijn baas is heel aardig.
Heel jong kind. Het kan nog niet lopen of praten.
Bijvoorbeeld:De baby huilt.
Rond speelgoed om mee te schoppen of te gooien. Groot, deftig dansfeest.
Bijvoorbeeld:De kinderen schoppen de bal over het hek.
Afscheid van een dode, waarbij de dode in de grond wordt gelegd.
Bijvoorbeeld:De begrafenis van mijn oma is op vrijdag.
Heel hoog land, veel hoger dan een huis.
Bijvoorbeeld:In Oostenrijk lopen we elke dag een berg op.
Speciaal detail.
Bijvoorbeeld:Zijn er bijzonderheden?
Mooi gekleurd deel van een plant.
Bijvoorbeeld:Ik geef haar bloemen.
Bericht voor iemand. Iets wat je in de winkel koopt.
Bijvoorbeeld:Ik doe boodschappen bij de supermarkt.
Grote plant met een stam en bladeren.
Bijvoorbeeld:We zitten onder een boom.
Voertuig dat op het water vaart.
Bijvoorbeeld:We gaan met de boot naar Texel.
Groot vuur dat dingen kapot maakt.
Bijvoorbeeld:Er is brand in de keuken! Bel 112!
Papier met een bericht, in een envelop.
Bijvoorbeeld:Ik stuur een brief naar mijn oma.
Kledingstuk voor je benen.
Bijvoorbeeld:Hij draagt een blauwe broek.
Mannelijk kind van dezelfde ouders als jij.
Bijvoorbeeld:Mijn broer woont in Rotterdam.
Weg over water, van de ene kant naar de andere.
Bijvoorbeeld:Fiets over de brug en ga dan links.
Feest op de dag van het trouwen.
Bijvoorbeeld:Op de bruiloft danste iedereen tot drie uur.
Voorkant van je lijf, onder je borst.
Bijvoorbeeld:Ik heb pijn in mijn buik.
Groot voertuig voor veel mensen, op de weg.
Bijvoorbeeld:De bus is te laat.
Woont naast je. /byr/
Bijvoorbeeld:Onze buur heeft een grote hond.
Man die naast je of bij je in de buurt woont.
Bijvoorbeeld:Onze buurman heeft een grote hond.
De straten rond je huis. Dichtbij.
Bijvoorbeeld:In de buurt is een supermarkt.
Iemand met wie je samenwerkt bij hetzelfde bedrijf.
Bijvoorbeeld:Mijn collega's zijn heel aardig.
Apparaat om op te werken, te mailen en films te kijken.
Bijvoorbeeld:Mijn computer is heel langzaam vandaag.
Serie lessen over één onderwerp.
Bijvoorbeeld:Ik doe een cursus Nederlands.
Vierentwintig uur. De uren met licht, niet de nacht. Groet bij komen of gaan.
Bijvoorbeeld:Ik werk drie dagen per week.
Een gevoel of woord van waardering na hulp of een cadeau.
Bijvoorbeeld:Veel dank voor je hulp!
Daardoor ga je een kamer of huis in en uit.
Bijvoorbeeld:Doe de deur dicht, alsjeblieft.
Iemand die spullen van anderen steelt.
Bijvoorbeeld:Een dief heeft mijn fiets gestolen.
Tweede dag van de werkweek.
Bijvoorbeeld:Op dinsdag heb ik Nederlandse les.
Meisje of vrouw, kind van haar ouders.
Bijvoorbeeld:Mijn dochter zit op de basisschool.
Iemand die zieke mensen beter maakt.
Bijvoorbeeld:Ik moet naar de dokter.
Vierde dag van de werkweek.
Bijvoorbeeld:Donderdag werk ik thuis.
Alles wat je drinkt. Drinken met alcohol.
Bijvoorbeeld:Er is genoeg drank voor het feest.
Beelden in je slaap. Iets wat je heel graag wilt.
Bijvoorbeeld:Mijn droom is een huis aan zee.
Middel dat je hoofd verandert. Veel drugs zijn verboden.
Bijvoorbeeld:De politie vond drugs in de auto.
Getrouwde man; formeel.
Bijvoorbeeld:Mijn echtgenoot werkt in een ziekenhuis.
Getrouwde vrouw; formeel.
Bijvoorbeeld:Meneer De Vries kwam met zijn echtgenote.
Scheldwoord voor een vervelende of arrogante man. Vrucht van de eik, een kleine noot.
Bijvoorbeeld:Mijn buurman is echt een eikel. Hij groet nooit.
Veel verdriet, pijn of problemen tegelijk.
Bijvoorbeeld:Na de storm was er overal ellende.
In verhalen: een wezen met vleugels, van God. Een heel lief persoon.
Bijvoorbeeld:Je bent een engel!
Het geld in Nederland en veel landen van Europa.
Bijvoorbeeld:Het kost vijf euro.
Al je familieleden samen: ouders, opa's, oma's, ooms en tantes.
Bijvoorbeeld:Met Kerst zie ik mijn hele familie.
Speciale dag waarop veel mensen vrij zijn.
Bijvoorbeeld:Op een feestdag is de bank dicht.
Voertuig met twee wielen en trappers.
Bijvoorbeeld:Mijn fiets is gestolen.
Verhaal met bewegende beelden, in de bioscoop of op tv.
Bijvoorbeeld:Zullen we vanavond een film kijken?
Hoog en smal ding van glas of plastic, met een dop.
Bijvoorbeeld:Wil je een fles water meenemen?
Beeld van je camera of telefoon.
Bijvoorbeeld:Mag ik een foto van jullie maken?
Iets wat niet goed is gedaan.
Bijvoorbeeld:Ik maak veel fouten in mijn Nederlands.
Iemand die op bezoek is bij jou. Informeel: een man of jongen.
Bijvoorbeeld:Vanavond hebben we gasten.
Iets wat in je hoofd opkomt.
Bijvoorbeeld:Ik heb een rare gedachte.
Je denken en voelen. Een spook.
Bijvoorbeeld:In het oude huis woont een geest.
Alles wat vroeger gebeurd is. Het schoolvak over vroeger.
Bijvoorbeeld:Ik vind geschiedenis leuk op school.
Gebouw met cellen waar mensen zitten na een misdaad.
Bijvoorbeeld:Hij zit drie jaar in de gevangenis.
Hoog wezen waarin veel mensen geloven.
Bijvoorbeeld:Veel mensen geloven in God.
Jongen of jonge man; informeel.
Bijvoorbeeld:Die gozer is echt grappig.
Maat voor warm en koud.
Bijvoorbeeld:Het is vandaag twintig graden.
Kort verhaal of iets anders waar mensen om lachen.
Bijvoorbeeld:Mijn opa vertelt altijd dezelfde grap.
Planten of delen van planten die je eet bij de maaltijd.
Bijvoorbeeld:Eet je groente, anders krijg je geen toetje!
Mensen of dingen bij elkaar.
Bijvoorbeeld:We werken in een groep van vier.
Deel aan het eind van je arm, met vijf vingers.
Bijvoorbeeld:Geef me je hand.
Iemand die iets heel dappers doet.
Bijvoorbeeld:De brandweerman is een held.
De ruimte boven je hoofd: blauw overdag, zwart met sterren 's nachts. Voor gelovige mensen: de plek van God.
Bijvoorbeeld:De hemel is vandaag helemaal blauw.
Tijd van het jaar na de zomer. Bladeren vallen van de bomen.
Bijvoorbeeld:In de herfst waait het veel.
Plek waar twee straten of muren samenkomen.
Bijvoorbeeld:De bakker is om de hoek.
Huisdier dat blaft.
Bijvoorbeeld:Ik laat de hond uit.
Het gevoel dat er iets goeds kan komen. Een grote stapel; veel.
Bijvoorbeeld:Ik heb hoop voor de toekomst.
Buitenkant van je lichaam.
Bijvoorbeeld:Mijn huid is droog in de winter.
Meer dan één huis. /ˈɦœyzə(n)/
Bijvoorbeeld:De huizen in Amsterdam zijn smal.
Steun van een ander, zodat iets makkelijker gaat.
Bijvoorbeeld:Dank je voor je hulp!
Scheldwoord voor iemand die heel dom doet.
Bijvoorbeeld:Die idioot rijdt door rood!
Kledingstuk voor buiten, tegen kou of regen.
Bijvoorbeeld:Vergeet je jas niet!
Mannelijk kind of jonge man.
Bijvoorbeeld:De jongen fietst naar school.
Tekening van een land, stad of gebied. Stevig papier met een tekst of plaatje. Bewijs dat je betaald hebt, voor trein of film.
Bijvoorbeeld:Op de kaart zie je waar het station is.
Eten gemaakt van melk, vaak geel.
Bijvoorbeeld:Ik eet brood met kaas.
Ruimte in een huis, met muren en een deur.
Bijvoorbeeld:Mijn kamer is boven.
Het kan gebeuren. Een goed moment om iets te doen.
Bijvoorbeeld:Er is een kans op regen.
Zijde van iets.
Bijvoorbeeld:De supermarkt is aan de andere kant van de straat.
Huisdier dat miauwt.
Bijvoorbeeld:De kat slaapt de hele dag.
Eén moment dat iets gebeurt. Je telt ze.
Bijvoorbeeld:Ik ben twee keer in Parijs geweest.
Stoere of sterke man; informeel.
Bijvoorbeeld:Zijn broer is een grote kerel.
Gebouw om te bidden, vaak met een toren.
Bijvoorbeeld:De kerk staat midden in het dorp.
Christelijk feest op 25 en 26 december.
Bijvoorbeeld:Met kerst eten we bij mijn ouders.
Kamer om te koken.
Bijvoorbeeld:Papa staat in de keuken.
Duizend meter.
Bijvoorbeeld:Het is twee kilometer naar school.
Iemand die iets koopt in een winkel of bij een bedrijf.
Bijvoorbeeld:De klant wil betalen.
Alles wat je aan je lijf draagt.
Bijvoorbeeld:Ik koop nieuwe kleren.
Wat je ogen van iets zien, los van de vorm.
Bijvoorbeeld:Wat is je lievelingskleur?
Iets om op te drukken, zodat een apparaat aan of uit gaat.
Bijvoorbeeld:Druk op de groene knop om te beginnen.
Zwarte, warme drank van gemalen bonen.
Bijvoorbeeld:Twee koffie, alsjeblieft.
Stukje metaal dat heel snel uit een wapen komt.
Bijvoorbeeld:De kogel ging door het raam.
Iemand die eten maakt in een restaurant.
Bijvoorbeeld:De kok maakt een lekkere soep.
Hoofd van een land, via zijn familie.
Bijvoorbeeld:De koning woont in Den Haag.
Vrouw van de koning. Vrouw die zelf hoofd van het land is.
Bijvoorbeeld:De koningin zwaait naar de mensen.
Sterk zijn, in je lijf of je hoofd.
Bijvoorbeeld:Hij heeft veel kracht in zijn armen.
Nieuws op papier of online, elke dag nieuw.
Bijvoorbeeld:Opa leest de krant bij het ontbijt.
Tijd van het jaar na de winter. Bloemen komen weer.
Bijvoorbeeld:In de lente worden de bomen groen.
Ding met een klein kommetje om soep of yoghurt te eten.
Bijvoorbeeld:Mag ik een lepel voor mijn soep?
Iemand die les geeft op school.
Bijvoorbeeld:Onze leraar is streng.
Tijd op school of bij een cursus waarin een leraar iets uitlegt. Iets wat je leert van een ervaring.
Bijvoorbeeld:De les begint om negen uur.
Iets wat niet waar is, maar je zegt het toch.
Bijvoorbeeld:Dat is een leugen!
Sterk, warm gevoel voor iemand.
Bijvoorbeeld:Liefde voor je kind is groot.
Namen of dingen onder elkaar.
Bijvoorbeeld:Ik maak een lijst voor de winkel.
Plezier.
Bijvoorbeeld:We hadden veel lol op het feestje.
De ruimte boven je hoofd, blauw of grijs. Wat je inademt.
Bijvoorbeeld:De lucht is vandaag grijs.
Grof scheldwoord voor een man die dom of gemeen doet. Plat woord voor het geslachtsdeel van een man.
Bijvoorbeeld:Die lul pakt mijn parkeerplek!
Eten op een vaste tijd van de dag.
Bijvoorbeeld:Het avondeten is onze grootste maaltijd.
Ronde bol die 's nachts licht geeft aan de hemel.
Bijvoorbeeld:Kijk, de maan is vol!
Ongeveer dertig dagen. Een jaar heeft er twaalf.
Bijvoorbeeld:Ik betaal de huur elke maand.
Eerste dag van de werkweek.
Bijvoorbeeld:Op maandag moet ik vroeg op.
Goede vriend; informeel, vooral tussen mannen. Hoe groot iets is, vooral bij kleding.
Bijvoorbeeld:Ik ga voetballen met mijn maten.
Kunnen bepalen wat anderen doen.
Bijvoorbeeld:De koning had vroeger veel macht.
Volwassen mens, geen vrouw. Partner, bij 'mijn man'.
Bijvoorbeeld:De man bij de kassa is erg vriendelijk.
Hoe je iets doet.
Bijvoorbeeld:Op deze manier gaat het sneller.
Plein met kraampjes voor eten en spullen.
Bijvoorbeeld:Op zaterdag is er markt.
Meisje of jonge vrouw; informeel en vriendelijk.
Bijvoorbeeld:Hé meiden, gaan jullie mee?
Witte drank van de koe.
Bijvoorbeeld:Wil je melk in je koffie?
Man, beleefd genoemd. Je gebruikt het bij onbekende mannen.
Bijvoorbeeld:Die meneer zoekt de uitgang.
Wat jij denkt over iets.
Bijvoorbeeld:Wat is jouw mening?
Persoon: man, vrouw of kind.
Bijvoorbeeld:Er wonen veel mensen in deze stad.
Personen, meer dan één.
Bijvoorbeeld:De mensen in mijn straat zijn aardig.
Honderd centimeter.
Bijvoorbeeld:Hij is bijna twee meter lang.
Vrouw, beleefd genoemd. Je gebruikt het bij onbekende vrouwen.
Bijvoorbeeld:Mevrouw, u bent uw tas vergeten!
Deel van de dag na twaalf uur.
Bijvoorbeeld:Vanmiddag ga ik zwemmen.
Zestig seconden.
Bijvoorbeeld:Wacht een minuutje!
Daad tegen de wet.
Bijvoorbeeld:Stelen is een misdaad.
Vrouw met een kind. Mama.
Bijvoorbeeld:Mijn moeder belt elke zondag.
Energie of werk voor iets.
Bijvoorbeeld:Het is de moeite waard!
Deel van je gezicht waarmee je eet en praat.
Bijvoorbeeld:Doe je mond open.
Het expres doden van iemand.
Bijvoorbeeld:De politie onderzoekt een moord in Amsterdam.
Stenen kant van een huis of kamer.
Bijvoorbeeld:Er hangt een klok aan de muur.
Klanken van zang of instrumenten.
Bijvoorbeeld:Hij luistert de hele dag naar muziek.
Hoe iemand of iets heet.
Bijvoorbeeld:Wat is uw naam?
Donkere tijd. Dan slapen de meeste mensen.
Bijvoorbeeld:De nacht was koud.
Alles wat niet door mensen gemaakt is: planten, dieren, water en land.
Bijvoorbeeld:In het weekend wandelen we graag in de natuur.
Zoon van je oom of tante. Zoon van je broer of zus.
Bijvoorbeeld:Mijn neef is net zo oud als ik.
Deel midden in je gezicht waarmee je ruikt.
Bijvoorbeeld:Mijn neus is rood van de kou.
Dochter van je oom of tante. Dochter van je broer of zus.
Bijvoorbeeld:Mijn nicht gaat in mei trouwen.
Man die in een restaurant of café eten en drinken brengt.
Bijvoorbeeld:Ober, mag ik de rekening?
Begin van de dag, na het opstaan.
Bijvoorbeeld:Ik drink koffie in de ochtend.
Moeder van je vader of moeder.
Bijvoorbeeld:Op zondag eten we bij oma.
Praat zonder waarheid of zonder zin.
Bijvoorbeeld:Hij zegt: de aarde is plat. Wat een onzin!
Broer van je vader of moeder. Man van je tante.
Bijvoorbeeld:Oom Kees komt ook op mijn verjaardag.
Strijd tussen landen of groepen, met soldaten en wapens.
Bijvoorbeeld:Mijn opa vertelt over de oorlog.
Vader van je vader of moeder.
Bijvoorbeeld:Opa leest elke ochtend de krant.
Vader en moeder samen.
Bijvoorbeeld:Mijn ouders wonen in Friesland.
Slecht geluk. Er gaat iets mis, maar het is niet jouw fout.
Bijvoorbeeld:Pech! De bus is net weg.
Ding met inkt om op papier te schrijven.
Bijvoorbeeld:Mag ik even je pen lenen?
Naar gevoel bij een wond of ziekte.
Bijvoorbeeld:Ik heb pijn in mijn rug.
Plek. Stad of dorp. Zitplaats.
Bijvoorbeeld:Is deze plaats vrij?
Groeit in de grond of in een pot en heeft water en licht nodig.
Bijvoorbeeld:Ik geef de plant elke week water.
Organisatie die zorgt voor veiligheid en helpt bij gevaar.
Bijvoorbeeld:Bel de politie!
Leider van een land zonder koning. Leider van een club of organisatie.
Bijvoorbeeld:De president van Frankrijk komt op bezoek.
Hoeveel iets kost. Wat je wint.
Bijvoorbeeld:De prijs is te hoog.
Goed idee van een ander voor jou. Groep mensen die voor een stad of organisatie beslist.
Bijvoorbeeld:Mag ik je om raad vragen?
Apparaat of zender voor muziek en nieuws, alleen met geluid.
Bijvoorbeeld:In de auto staat de radio altijd aan.
Iets heel ergs dat veel schade geeft.
Bijvoorbeeld:Mijn telefoon is kapot. Wat een ramp!
Het waarom van iets.
Bijvoorbeeld:Wat is de reden?
Afspraak over hoe het moet. Iedereen houdt zich eraan. Een lijn tekst.
Bijvoorbeeld:Dat is de regel op school.
Water uit de wolken.
Bijvoorbeeld:In Nederland is er veel regen.
Groep mensen aan de leiding van het land.
Bijvoorbeeld:De regering maakt nieuwe regels.
Je gaat ver weg en later terug.
Bijvoorbeeld:De reis naar Spanje duurt twee uur met het vliegtuig.
Papier met hoeveel je moet betalen. Je geld bij de bank.
Bijvoorbeeld:Mag ik de rekening?
Mensen of dingen achter of naast elkaar.
Bijvoorbeeld:Er staat een lange rij bij de kassa.
Rond sieraad om je vinger. Iets ronds in de vorm van een cirkel.
Bijvoorbeeld:Hij geeft haar een ring.
Lang stromend water op weg naar de zee.
Bijvoorbeeld:We fietsen langs de rivier.
Grijze wolk boven vuur of bij een sigaret.
Bijvoorbeeld:Ik zie rook uit het raam komen.
Veel spullen door elkaar; niet netjes, vies of kapot.
Bijvoorbeeld:Ruim die rotzooi op je kamer op!
Achterkant van je lichaam.
Bijvoorbeeld:Mijn rug doet pijn.
Boos gesprek of strijd tussen mensen.
Bijvoorbeeld:Mijn broer en ik hebben ruzie over de tv.
Donkere plek achter iets, waar de zon niet komt. Donkere vorm van iets op de grond of muur.
Bijvoorbeeld:Het is heet. Laten we in de schaduw zitten.
Liefje; zo noem je je kind of partner. Een kist met goud of iets heel waardevols.
Bijvoorbeeld:Dag schat, tot vanavond!
Wat je aan je voet draagt om buiten te lopen.
Bijvoorbeeld:Deze schoenen zijn te klein.
Plek waar kinderen les krijgen van een leraar.
Bijvoorbeeld:Mijn zoon gaat naar school.
Het is jouw fout dat iets misging. Geld dat je nog moet betalen.
Bijvoorbeeld:Het is niet mijn schuld! De hond heeft het gedaan.
Heel kort moment. Er gaan er zestig in een minuut.
Bijvoorbeeld:Eén seconde, ik kom!
Rolletje papier met tabak om te roken.
Bijvoorbeeld:Mag ik een sigaret van je?
Klein stuk metaal om een deur of slot open te maken.
Bijvoorbeeld:Ik ben mijn sleutel kwijt.
Witte, koude vlokken uit de lucht.
Bijvoorbeeld:De kinderen spelen in de sneeuw.
Warm, nat eten uit een kom.
Bijvoorbeeld:In de winter eet ik graag soep.
Iemand die in het leger werkt.
Bijvoorbeeld:De soldaat draagt een groen pak.
Bewegen met regels, alleen of in een team.
Bijvoorbeeld:Welke sport doe jij?
Grote plek met veel huizen, winkels en mensen.
Bijvoorbeeld:Amsterdam is een drukke stad.
Hard en zwaar materiaal uit de grond. Blok om huizen van te bouwen.
Bijvoorbeeld:Er zit een steen in mijn schoen.
Het geluid dat je maakt als je praat of zingt. Je keuze bij een verkiezing.
Bijvoorbeeld:Ze heeft een mooie stem.
Meubel om op te zitten, met een rug achter je.
Bijvoorbeeld:Pak een stoel en ga zitten.
Heel harde wind, vaak met regen.
Bijvoorbeeld:Door de storm valt er een boom om.
Weg in een stad of dorp, met huizen erlangs.
Bijvoorbeeld:Ik woon in deze straat.
Iets naars dat je krijgt omdat je iets fout deed.
Bijvoorbeeld:Als straf mag Tim vandaag niet gamen.
Iemand die leert op een universiteit of hogeschool.
Bijvoorbeeld:Mijn zus is student in Leiden.
Witte korrels die eten en drinken zoet maken.
Bijvoorbeeld:Geen suiker in mijn thee, graag.
Onhandig of een beetje dom persoon, vaak lief bedoeld.
Bijvoorbeeld:Ik zit weer in de verkeerde trein. Wat een sukkel ben ik!
Grote winkel waar je eten, drinken en andere boodschappen koopt.
Bijvoorbeeld:Ik doe boodschappen in de supermarkt.
Het systeem van woorden waarmee mensen praten en schrijven.
Bijvoorbeeld:Ik spreek twee talen: Nederlands en Arabisch.
Meubel met een plat blad op poten.
Bijvoorbeeld:Het eten staat op tafel.
Wit en hard ding in je mond om te bijten.
Bijvoorbeeld:Poets je tanden!
Zus van je vader of moeder. Vrouw van je oom.
Bijvoorbeeld:Mijn tante woont in Utrecht.
Iets om je spullen in mee te nemen.
Bijvoorbeeld:Mijn boeken zitten in mijn tas.
Apparaat om mee te bellen.
Bijvoorbeeld:Mijn telefoon is leeg. Heb jij een oplader?
Apparaat met een scherm voor nieuws, films en series.
Bijvoorbeeld:'s Avonds kijken we samen televisie.
Warme drank van blaadjes in heet water.
Bijvoorbeeld:Wil je thee met suiker?
De uren en minuten die je hebt.
Bijvoorbeeld:Heb je tijd voor een kop koffie?
Tijd die nog gaat komen.
Bijvoorbeeld:In de toekomst wil ik leraar worden.
Lang voertuig op rails.
Bijvoorbeeld:Ik neem de trein naar Amsterdam.
Stuk grond bij je huis, met gras en bloemen.
Bijvoorbeeld:In de tuin staat een grote boom.
Man met een kind. Papa.
Bijvoorbeeld:Mijn vader werkt in een bakkerij.
Tijd zonder werk of school.
Bijvoorbeeld:We gaan op vakantie naar Frankrijk.
Werkdag zonder werk. Je krijgt wel je geld. /də vaˈkɑnsidɑx/
Bijvoorbeeld:Ik neem vrijdag een vakantiedag.
Man; informeel, soms een beetje negatief.
Bijvoorbeeld:Wie is die vent bij de deur?
De dag van je geboorte, elk jaar weer.
Bijvoorbeeld:Gefeliciteerd met je verjaardag!
Iemand die tegen jou is, niet je vriend.
Bijvoorbeeld:In de oorlog was hij de vijand.
Een van de vijf dunne delen aan je hand.
Bijvoorbeeld:Ik snijd in mijn vinger.
Dier dat in het water leeft. Het vlees van dat dier, als eten.
Bijvoorbeeld:Op vrijdag eten we vis.
Daar loop je op, in huis.
Bijvoorbeeld:De sokken liggen op de vloer.
Onderaan je been. Daar zitten je tenen.
Bijvoorbeeld:Ik heb koude voeten.
Dier met veren en vleugels. Meestal kan het vliegen.
Bijvoorbeeld:Er zit een vogel op het dak.
Wat je liever wilt.
Bijvoorbeeld:Heb je een voorkeur: thee of koffie?
Ding met punten om eten te prikken.
Bijvoorbeeld:Ik eet mijn salade met een vork.
Zin waarop je een antwoord wilt.
Bijvoorbeeld:Mag ik een vraag stellen?
Geen oorlog. Rust tussen mensen.
Bijvoorbeeld:Iedereen wil vrede.
Iemand bij wie je je fijn voelt. Partner, bij 'mijn vriend'.
Bijvoorbeeld:Ik ga met een vriend naar de film.
Vrouw bij wie je je fijn voelt. Partner, bij 'mijn vriendin'.
Bijvoorbeeld:Ik ga shoppen met een vriendin.
Laatste werkdag voor het weekend.
Bijvoorbeeld:Vrijdag gaan we uit eten.
Volwassen mens, geen man. Partner, bij 'mijn vrouw'.
Bijvoorbeeld:De vrouw naast mij leest de krant.
Meer dan één vrouw. /də ˈvrɑuə(n)/
Bijvoorbeeld:De vrouwen praten in de keuken.
Hoe het echt zit.
Bijvoorbeeld:Vertel me de waarheid.
Zeven dagen, van maandag tot zondag.
Bijvoorbeeld:Volgende week heb ik vakantie.
Straat voor auto's of fietsen. De route naar een plek.
Bijvoorbeeld:Weet u de weg naar het station?
Iets wat je graag wilt.
Bijvoorbeeld:Mijn wens is een eigen huis.
Aarde met alle landen en mensen.
Bijvoorbeeld:Ze wil de hele wereld zien.
Oorlog tussen veel landen van de wereld.
Bijvoorbeeld:Mijn oma was kind in de Tweede Wereldoorlog.
Hoe het echt is, niet in een droom of film.
Bijvoorbeeld:In de werkelijkheid is het anders.
Regel van de regering voor het hele land.
Bijvoorbeeld:Dat mag niet volgens de wet.
Deel van een stad.
Bijvoorbeeld:Ik woon in een rustige wijk.
Drank met alcohol, gemaakt van druiven.
Bijvoorbeeld:Een glas rode wijn, alsjeblieft.
Bewegende lucht. Je voelt het, maar ziet het niet.
Bijvoorbeeld:Er is veel wind vandaag.
Plek om dingen te kopen.
Bijvoorbeeld:Die winkel verkoopt kleren.
Koudste tijd van het jaar.
Bijvoorbeeld:In de winter valt er soms sneeuw.
Derde dag van de werkweek.
Bijvoorbeeld:Woensdag gaan we zwemmen.
Grijze of witte vorm in de lucht. Soms komt er regen uit.
Bijvoorbeeld:Er zijn veel wolken vandaag.
Meer dan één woord. Zinnen zijn ervan gemaakt. /ˈʋoːrdə(n)/
Bijvoorbeeld:Ik leer nieuwe woorden.
Winkel of bedrijf. Een kwestie; iets waar het om gaat. Een rechtszaak.
Bijvoorbeeld:Hij heeft een eigen zaak.
Eerste dag van het weekend.
Bijvoorbeeld:Op zaterdag doe ik boodschappen.
Heel veel zout water. Je ziet geen einde.
Bijvoorbeeld:In de zomer gaan we naar de zee.
Het diepste van jou, niet je lichaam.
Bijvoorbeeld:Ze zingt met heel haar ziel.
Woorden achter elkaar, met een punt aan het eind. Met 'hebben in': iets graag willen. Betekenis of nut.
Bijvoorbeeld:Schrijf drie zinnen over je weekend.
Warmste tijd van het jaar.
Bijvoorbeeld:In de zomer gaan we op vakantie.
De ster die overdag licht en warmte geeft.
Bijvoorbeeld:De zon schijnt vandaag.
Laatste dag van de week.
Bijvoorbeeld:Zondag slapen we lang uit.
Jongen of man, kind van zijn ouders.
Bijvoorbeeld:Hun zoon is tien jaar.
Hulp voor zieken, kinderen of ouderen. Een onrustig, bang gevoel over iets.
Bijvoorbeeld:Mijn grootste zorg is geld.
Vrouwelijk kind van dezelfde ouders als jij.
Bijvoorbeeld:Mijn zus is ouder dan ik.
Hoeveel het er zijn.
Bijvoorbeeld:Het aantal studenten groeit.
Wat je terugzegt of terugschrijft op een vraag.
Bijvoorbeeld:Weet jij het antwoord?
Leuke avond, vaak met vrienden. Gezellig en ontspannen. /ɦɛt ˈaːvɔntjə/
Bijvoorbeeld:Zaterdag hebben we een avondje uit.
Meubel om in te slapen.
Bijvoorbeeld:Ik ga om elf uur naar bed.
Firma die iets maakt of verkoopt.
Bijvoorbeeld:Hij werkt bij een groot bedrijf.
Lichaamsdeel waarmee je loopt. Je hebt er twee. Bot in je lichaam.
Bijvoorbeeld:Mijn been doet pijn.
Een kleine hoeveelheid.
Bijvoorbeeld:Ik spreek een beetje Nederlands.
Eerste deel van iets. Daar start het.
Bijvoorbeeld:Aan het begin van de film was het stil.
Kort stukje tekst voor iemand, vaak op je telefoon.
Bijvoorbeeld:Ik stuur je een bericht.
Gele drank met alcohol en schuim.
Bijvoorbeeld:Na het werk drinkt hij een biertje.
Plat, groen deel van een boom of plant. Een vel papier.
Bijvoorbeeld:Er ligt een geel blad op mijn fiets.
Rode vloeistof die door je lichaam stroomt.
Bijvoorbeeld:Er is bloed op je knie.
Bladzijden met tekst, samen in een kaft.
Bijvoorbeeld:Ik lees een boek in bed.
Plat, rond ding voor je eten. Groot teken langs de weg. Plat vlak in de klas om op te schrijven.
Bijvoorbeeld:Mijn bord is leeg. Het was heel lekker.
Veel bomen dicht bij elkaar.
Bijvoorbeeld:Op zondag lopen we met de hond door het bos.
Eten gebakken van meel, water en gist.
Bijvoorbeeld:Ik koop een brood bij de bakker.
Klein brood voor één persoon, vaak met beleg.
Bijvoorbeeld:Ik neem een broodje kaas.
Iets wat je iemand geeft om blij te maken, vaak bij een feest.
Bijvoorbeeld:Ik heb een cadeau voor je!
Plek waar je binnen bier of koffie drinkt en met vrienden praat.
Bijvoorbeeld:Na het werk drinken we een biertje in het café.
Stuk van iets groters.
Bijvoorbeeld:Een deel van de klas is ziek.
Levend wezen: geen plant en geen mens.
Bijvoorbeeld:Welk dier vind jij het mooist?
Voorwerp. Je weet de naam niet, of die is niet belangrijk.
Bijvoorbeeld:Wat is dat ding op tafel?
Kleine plaats met weinig huizen.
Bijvoorbeeld:Mijn oma woont in een dorp.
Komt van een kip. Je kookt of bakt het.
Bijvoorbeeld:Ik eet een ei bij het ontbijt.
Land met overal water eromheen.
Bijvoorbeeld:Met de boot gaan we naar het eiland.
Plek of tijd waar iets ophoudt.
Bijvoorbeeld:Aan het eind van de straat woon ik.
Laatste moment van iets.
Bijvoorbeeld:Het einde van de film is mooi.
Grote toets aan het eind van een cursus of opleiding.
Bijvoorbeeld:Morgen heb ik mijn examen.
Vrolijk samenzijn met eten, drinken en muziek.
Bijvoorbeeld:Zaterdag geef ik een feest.
Klein en gezellig feest.
Bijvoorbeeld:Kom je zaterdag naar mijn feestje?
Zoete vruchten van een boom of struik.
Bijvoorbeeld:Na het eten nemen we een stuk fruit.
Hoe of hoe vaak je iets gebruikt. Een gewoonte.
Bijvoorbeeld:Het gebruik van de telefoon is verboden in de les.
Stuk van een geheel.
Bijvoorbeeld:Het eerste gedeelte van de film is saai.
Veel moeite en problemen om iets kleins.
Bijvoorbeeld:Een nieuw paspoort? Wat een gedoe!
Iets wat niemand anders mag weten.
Bijvoorbeeld:Kun je een geheim bewaren?
Munten en briefjes. Je betaalt ermee.
Bijvoorbeeld:Ik heb geen geld bij me.
Alles wat je hoort.
Bijvoorbeeld:Wat is dat voor geluid?
Kort, zacht geluid. Bijvoorbeeld van je telefoon. /ɦɛt ɣəˈlœytjə/
Bijvoorbeeld:Mijn telefoon maakt een raar geluidje.
Iets goeds dat zomaar gebeurt. Een blij gevoel.
Bijvoorbeeld:Veel geluk met je examen!
Cadeau, maar deftiger.
Bijvoorbeeld:Dit geschenk is voor de koningin.
Er kan iets ergs gebeuren.
Bijvoorbeeld:Pas op! Gevaar!
Situatie; iets wat gebeurt of kan gebeuren.
Bijvoorbeeld:In ieder geval kom ik morgen.
Wat je van binnen voelt. Wat je voelt met je huid.
Bijvoorbeeld:Ik heb een goed gevoel over morgen.
Voorkant van je hoofd, met ogen, neus en mond.
Bijvoorbeeld:Ze wast haar gezicht.
Ouders en kinderen samen in één huis.
Bijvoorbeeld:Wij zijn een gezin van vijf.
Harde, doorzichtige stof. Beker van glas om uit te drinken.
Bijvoorbeeld:Mag ik een glas water?
Groene, lage plant in de tuin en in het park.
Bijvoorbeeld:Niet op het gras lopen!
Groeit op je hoofd en op je huid.
Bijvoorbeeld:Zij heeft lang zwart haar.
Orgaan links in je borst. Het pompt het bloed rond. De plek van je gevoel.
Bijvoorbeeld:Mijn hart gaat snel.
Nu, deze tijd. /ˈɦeːdə(n)/
Bijvoorbeeld:Het heden is belangrijker dan het verleden.
Kledingstuk voor je bovenlijf, vaak met knopen. Kledingstuk onder je andere kleren.
Bijvoorbeeld:Hij draagt een wit hemd naar zijn werk.
Bovenste deel van je lichaam. Daar zitten je ogen, neus en mond.
Bijvoorbeeld:Ik heb pijn in mijn hoofd.
Gebouw waar je betaalt om een paar nachten te slapen.
Bijvoorbeeld:Ons hotel ligt vlak bij het strand.
Gebouw om in te wonen.
Bijvoorbeeld:Ons huis heeft een rode deur.
Dier dat bij jou thuis woont.
Bijvoorbeeld:Heb jij een huisdier?
Klein huis. Vakantiehuis om te huren.
Bijvoorbeeld:We huren een huisje in het bos.
Het verbond van twee mensen die trouwen en samen blijven. De dag van het trouwen.
Bijvoorbeeld:Hun huwelijk duurt al veertig jaar.
Nieuwe gedachte of plan in je hoofd.
Bijvoorbeeld:Goed idee! Laten we gaan.
Water dat hard is geworden door grote kou. Koud, zoet toetje.
Bijvoorbeeld:In de winter schaatsen we op het ijs.
Wereldwijd netwerk waarmee websites, mail en filmpjes op je scherm komen.
Bijvoorbeeld:Thuis is het internet heel snel.
Twaalf maanden. Leeftijd, bij een getal.
Bijvoorbeeld:Ik woon hier al een jaar.
Wat je geeft op een feest of verjaardag. /ɦɛt kaˈdoː/
Bijvoorbeeld:Wat een mooi kado! Dank je wel.
Gebouw of kamer om aan een bureau te werken.
Bijvoorbeeld:Mijn moeder werkt op een kantoor.
Jonge mens, nog niet volwassen. Zoon of dochter.
Bijvoorbeeld:Het kind speelt in de tuin.
Baby of heel jong kind. Het klinkt lief. /ɦɛt ˈkɪntjə/
Bijvoorbeeld:Wat een lief kindje!
Klein ding met een oor, voor koffie of thee.
Bijvoorbeeld:Wil je een kopje thee?
Groot gebied met een eigen regering. Grond buiten de stad, voor boeren.
Bijvoorbeeld:Uit welk land kom je?
Tijd van je geboorte tot je dood. Hoe je leeft.
Bijvoorbeeld:Het leven in de stad is duur.
Alles van jou: hoofd, armen, benen en buik.
Bijvoorbeeld:Sporten is goed voor je lichaam.
Het maakt dat je iets ziet. Het komt van de zon of een lamp.
Bijvoorbeeld:Doe het licht aan, het is donker.
Muziek met woorden. Je kunt het zingen.
Bijvoorbeeld:We zingen een lied voor oma.
Je vriend of vriendin. Lieve naam voor die persoon.
Bijvoorbeeld:Ze gaat op vakantie met haar liefje.
Het mannelijke dier. Kleine man of poppetje.
Bijvoorbeeld:Is jouw konijn een mannetje of een vrouwtje?
Vrouwelijk kind of jonge vrouw.
Bijvoorbeeld:Het meisje leest een boek.
Scherp ding om vlees of brood te snijden.
Bijvoorbeeld:Het mes ligt rechts naast het bord.
Heel kort stukje tijd.
Bijvoorbeeld:Een moment, alstublieft.
Wat er net gebeurd is, op tv, online of in de krant.
Bijvoorbeeld:Heb je het nieuws gezien?
Getal voor je huis of je telefoon. Een lied op een album of in een show.
Bijvoorbeeld:Wat is je nummer?
Heel korte tijd.
Bijvoorbeeld:Een ogenblik, alstublieft.
Iets ergs dat plotseling gebeurt, waarbij iemand gewond kan raken. Pech; slecht geluk.
Bijvoorbeeld:Er is een ongeluk op de snelweg.
Eerste maaltijd van de dag, in de ochtend.
Bijvoorbeeld:Bij het ontbijt eet ik brood met kaas.
Deel van je gezicht waarmee je ziet. Je hebt er twee.
Bijvoorbeeld:Ze heeft blauwe ogen.
Deel aan elke kant van je hoofd waarmee je hoort.
Bijvoorbeeld:Ik hoor niets met dit oor.
Groot dier. Je kunt erop rijden.
Bijvoorbeeld:Het meisje rijdt op een paard.
Smalle weg om te lopen of fietsen.
Bijvoorbeeld:Loop op het pad, niet op het gras.
Klein wapen dat je in één hand houdt om mee te schieten.
Bijvoorbeeld:De agent draagt een pistool.
Wat je later wilt doen, en hoe.
Bijvoorbeeld:Wat is het plan voor zaterdag?
Groot, open stuk in de stad, zonder huizen.
Bijvoorbeeld:Op het plein staat een kerk.
Kleine, fijne plek.
Bijvoorbeeld:We hebben een mooi plekje op het terras.
Lastige situatie. Je zoekt een oplossing.
Bijvoorbeeld:Mijn fiets is kapot. Dat is een probleem.
Een show op tv of radio. Software op je computer. Plan voor een dag of een feest.
Bijvoorbeeld:Dit programma begint om acht uur.
Klein rond teken; het teken aan het eind van een zin. Wat je scoort bij een spel. Een onderwerp of idee in een gesprek.
Bijvoorbeeld:Ons team heeft tien punten.
Glas in de muur. Je kijkt erdoor naar buiten.
Bijvoorbeeld:Doe het raam open, het is warm.
Wat je mag hebben of doen, volgens de wet. Alle wetten samen; de studie daarvan.
Bijvoorbeeld:Iedereen heeft recht op school.
Plek waar je betaalt voor eten en een ober het naar je tafel brengt.
Bijvoorbeeld:Zullen we vanavond naar een restaurant gaan?
Lief woord voor je partner of je kind. /ɦɛt ˈsxɑtjə/
Bijvoorbeeld:Dag schatje, tot vanavond!
Groep dingen die op elkaar lijken.
Bijvoorbeeld:Welk soort muziek vind je leuk?
Iets om te spelen, met regels.
Bijvoorbeeld:Dit spel is voor vier mensen.
Plek waar de trein stopt.
Bijvoorbeeld:Ik wacht op je bij het station.
Zand naast de zee.
Bijvoorbeeld:In de zomer gaan we naar het strand in Zandvoort.
Afgesneden of gebroken beetje. Tekst, muziek of toneel als één werk.
Bijvoorbeeld:Wil je een stuk taart?
Klein deel van iets. Kleine afstand.
Bijvoorbeeld:Wil je nog een stukje taart?
Het gaat goed; het lukt. Wens voor iemand die iets moeilijks gaat doen.
Bijvoorbeeld:Succes met je examen!
Zestig minuten. Tijd op de klok.
Bijvoorbeeld:De les duurt een uur.
Groot en plat land, met gras. Stuk grond voor sport.
Bijvoorbeeld:De koeien staan in het veld.
Link tussen twee dingen. Stof om een wond.
Bijvoorbeeld:Er is een verband tussen slaap en stress.
Vertelling over mensen en wat er gebeurt.
Bijvoorbeeld:Papa leest een verhaal voor.
Tijd die al voorbij is.
Bijvoorbeeld:Dat is het verleden. Nu gaan we verder.
Waar twee dingen niet gelijk zijn.
Bijvoorbeeld:Wat is het verschil tussen die twee?
Eten van een dier.
Bijvoorbeeld:Zij eet geen vlees.
Voertuig dat met mensen door de lucht vliegt.
Bijvoorbeeld:Het vliegtuig landt op Schiphol.
Alle mensen van een land.
Bijvoorbeeld:Het Nederlandse volk viert Koningsdag.
Eén geval dat laat zien hoe iets gaat. Iemand die je wilt nadoen.
Bijvoorbeeld:Geef eens een voorbeeld.
Vlammen die heet en fel branden.
Bijvoorbeeld:We zitten bij het vuur.
Ding om mee te vechten of te doden.
Bijvoorbeeld:In Nederland mag je geen wapen op straat hebben.
Vloeistof zonder kleur en smaak. Je drinkt het, en het zit in de zee en de regen.
Bijvoorbeeld:Mag ik een glas water?
Zaterdag en zondag samen.
Bijvoorbeeld:Fijn weekend!
Hoe het buiten is, met zon, regen, wind en temperatuur.
Bijvoorbeeld:Hoe is het weer morgen?
Wat je doet voor geld. De plek van je baan.
Bijvoorbeeld:Ik ga om acht uur naar mijn werk.
Kleinste deel van een zin met betekenis.
Bijvoorbeeld:Ik ken dat woord niet.
Boek of app met woorden en hun betekenis.
Bijvoorbeeld:Zoek het op in het woordenboek.
Gebouw waar zieke mensen hulp krijgen van artsen.
Bijvoorbeeld:Ze ligt in het ziekenhuis.
Witte korrels die eten meer smaak geven.
Bijvoorbeeld:Er zit te veel zout in de soep.
Wijst een bekend ding of een bekende persoon aan, bij een de-woord. Staat bij elk woord als het er twee of meer zijn.
Bijvoorbeeld:De bus komt om acht uur.
Noemt één ding dat nog niet bekend is.
Bijvoorbeeld:Ik koop een brood bij de bakker.
Wijst een bekend ding aan, bij een het-woord. Alleen bij één ding, nooit bij twee. Staat los voor een ding of een situatie waar je het over hebt.
Met je oren geluid opvangen. Eigendom zijn van; bij iets passen.
Bijvoorbeeld:Hoor je de vogels?
Al eerder gezien of gehoord hebben. Je weet wie of wat het is.
Bijvoorbeeld:Ken jij mijn broer?
Goed kijken en testen om de waarheid te weten.
Bijvoorbeeld:De dokter onderzoekt mijn oor.
Iemand uit gevaar halen. Het redden: het lukt.
Bijvoorbeeld:De man redt het kind uit het water.
Iets goeds voor iemand willen. Iets graag willen hebben.
Bijvoorbeeld:Ik wens je een fijne dag!
Zonder plan. Het gebeurt gewoon.
Bijvoorbeeld:Ik zag toevallig mijn leraar in de supermarkt.
Een kleiner aantal of een kleinere hoeveelheid.
Bijvoorbeeld:Ik wil minder suiker in mijn thee.