Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Degene tegen wie je praat, beleefd. Meer mensen tegen wie je praat, beleefd.
Bijvoorbeeld: Kunt u mij helpen?
In de praktijk: Tegen onbekenden, ouderen en in winkels zeg je vaak 'u'. Het werkwoord krijgt een -t: u bent, u heeft, u woont.
Notitie: you (formal) · /y/