Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Eén man of jongen, niet de spreker en niet de luisteraar. Een de-ding waar je het al over had.
Bijvoorbeeld: Mijn broer is kok. Hij werkt in een restaurant.
In de praktijk: Voor een de-ding zeg je ook 'hij': 'Waar is de trein? Hij is laat.'
Notitie: he · /ɦɛi/