Op dat moment in het verleden. Op het moment dat, bij één keer in het verleden.
Bijvoorbeeld: Ik was moe. Toen ging ik naar bed.
Zo niet: Voor nu of later zeg je 'als' of 'wanneer', niet 'toen'.
In de praktijk: Als voegwoord: 'Toen ik klein was, woonde ik in Turkije.'
Notitie: then; when (past) · /tun/