Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Een man of jongen, na een werkwoord of voorzetsel. Een de-ding, na een werkwoord of voorzetsel.
Bijvoorbeeld: Ken je Peter? Ik bel hem morgen.
In de praktijk: Voor een de-ding: 'Waar is mijn pen? Ik zie hem niet.'
Notitie: him; it (de-word) · /ɦɛm/